|
|
|
|
Controleer of het apparaat met het netwerk is verbonden en ingeschakeld is. Het IP-adres van uw apparaat moet reeds ingesteld zijn (zie Het IP-adres instellen).
Ga naar , selecteer > > .
Klik op .
De gedetecteerde apparaten worden op het scherm weergegeven.
Klik op de modelnaam of de hostnaam die u wilt gebruiken.
|
|
|
|
Het stuurprogramma wordt automatisch geïnstalleerd via .
|
|
|
|
Als u het stuurprogramma installeert met de meegeleverde software-cd, kunt u het geïnstalleerde stuurprogramma niet gebruiken vanaf het scherm. |
Controleer of het apparaat met het netwerk is verbonden en ingeschakeld is. Het IP-adres van uw apparaat moet reeds ingesteld zijn (zie Het IP-adres instellen).
Plaats de meegeleverde software-cd in uw cd-romstation.
Als het installatievenster niet wordt weergegeven, gaat u naar en selecteert u > en zoekt u . Typ X:\Setup.exe, waarbij u 'X' vervangt door de letter van uw cd-romstation, en klik op .
|
|
|
|
Als het pop-upvenster wordt weergegeven, klikt u op het venster en selecteert u . |
Lees en accepteer de en (optioneel). Klik daarna op .
Selecteer in het scherm .
Als het venster verschijnt, controleert u of het apparaat met uw netwerk is verbonden. Klik daarna op .
|
|
|
|
De firewallsoftware blokkeert mogelijk de netwerkcommunicatie. Schakel de firewall op de computer uit, voordat u het apparaat met het netwerk verbindt. |
De gedetecteerde apparaten worden op het scherm weergegeven. Selecteer het gewenste apparaat en klik op .
Volg de instructies in het installatievenster.