Afdrukmateriaal en lade

In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe u afdrukmedia in uw apparaat plaatst.

[Caution]
  • Wanneer u afdrukmateriaal gebruikt dat niet voldoet aan deze specificaties, kan dit problemen veroorzaken waarvoor reparatie vereist is. Zulke reparaties worden niet gedekt door de garantie of serviceovereenkomst van Samsung.

  • Zorg ervoor dat u geen fotopapier voor inkjetprinters gebruikt. Dit kan uw apparaat beschadigen.

  • Gebruik van ontvlambaar afdrukmateriaal kan brand veroorzaken.

  • Gebruik aangegeven afdrukmateriaal (zie Specificaties van de afdrukmedia ).

[Warning]

Het gebruik van ontvlambaar materiaal of het achterblijven van vreemde materialen in de printen kan oververhitting veroorzaken en in zeldzame gevallen brand.

Lade overzicht

Om het formaat te wijzigen, moet u de papiergeleiders aanpassen.

  1. Papierklep

  2. Vergrendeling van de geleider

  3. Papierlengtegeleider

  4. Papierbreedtegeleider

[Caution]

Als u de geleiders niet aanpast, kan dit tot gevolg hebben dat de afdruk scheef of op de verkeerde plaats afgedrukt wordt, of dat het papier vastloopt.

Papier in de lade plaatsen

[Note]

De afbeeldingen in deze gebruikershandleiding zijn afhankelijk van de opties en het model, en komen mogelijk niet helemaal overeen met uw apparaat. Controleer het type apparaat (zie Voorkant).

  1. Open de papierlade (zie Lade overzicht).

  2. Open de papierklep.

  3. Haal de lade handmatig uit het apparaat door de geleidervergrendeling in de lade in te drukken en te ontgrendelen. Stel vervolgens de papierlengte- en papierbreedtegeleider in.

  4. Buig de papierstapel of waaier het papier uit, om de pagina's van elkaar te scheiden voor u het papier in het apparaat plaatst.

  5. Plaats het papier in de lade met de te bedrukken zijde naar boven.

    Bij papier met een kleiner formaat dan Letter-formaat ontgrendelt u de geleider van de lade en duwt u de lade naar binnen. Stel vervolgens de papierlengte- en papierbreedtegeleider in.

    Bij papier dat langer is dan Letter-formaat ontgrendelt u de geleider van de lade en trekt u de lade naar buiten. Stel vervolgens de papierlengte- en papierbreedtegeleider in.

    [Note]
    • Druk de papierbreedtegeleider niet te hard tegen de rand van het papier, omdat het papier daardoor kan buigen.

    • Gebruik geen papier waarvan de voorste rand opgekruld is. Hierdoor kan het papier vastlopen of kreukelen.

    • Als u de breedtegeleider niet aanpast, kan het papier vastlopen.

  6. Houd de breedtegeleider ingedrukt en schuif deze tegen de stapel papier, zonder het papier te buigen.

  7. Sluit de papierklep.

  8. Plaats de papierlade.

  9. Stel het papiertype en -formaat voor de lade in als u een document wilt afdrukken (zie Papierformaat en -type instellen).

    [Note]

    De in het printerstuurprogramma opgegeven instellingen krijgen voorrang op de instellingen op het bedieningspaneel.

    1. Om vanuit een toepassing af te drukken, opent u de toepassing en start u het afdrukmenu.

    2. Open Voorkeursinstellingen (zie Voorkeursinstellingen openen).

    3. Klik op het tabblad Papier in Voorkeursinstellingen en selecteer het juiste papiertype.

      Als u bijvoorbeeld op een etiket wilt afdrukken, stelt u het papiertype in op Etiketten.

    4. Selecteer Automatisch selecteren (of Handmatige invoer) bij papierbron en druk vervolgens op OK.

    5. Start het afdrukken vanuit de toepassing.

Afdrukken op speciale afdrukmedia

De onderstaande tabel toont de te gebruiken speciale afdrukmedia voor elke lade.

De media wordt ook weergegeven in Voorkeursinstellingen. Voor de beste afdrukkwaliteit selecteert u het juiste mediatype in het venster Voorkeursinstellingen > tabblad Papier > Type (zie Voorkeursinstellingen openen).

Als u bijvoorbeeld op etiketten wilt afdrukken, selecteert u Etiketten als Type.

[Note]
  • Voor het gebruik van speciale afdrukmedia raden wij u aan om telkens een vel per keer in te voeren (zie Specificaties van de afdrukmedia ).

  • De afbeeldingen in deze gebruikershandleiding zijn afhankelijk van de opties en het model, en komen mogelijk niet helemaal overeen met uw apparaat. Controleer het type apparaat (zie Voorkant).

Zie Specificaties van de afdrukmedia voor papiergewicht per vel.

Types

Lade

[a]

Normaal papier

Dik papier

Dun papier

Bankpost

Gekleurd papier

Kartonpapier

Etiketten

Voorbedrukt

Katoen

Kringlooppapier

Archiefpapier

Glossy foto

Foto mat

[a] De beschikbare papiersoorten voor handmatige invoer in de lade:

(: Ondersteund, leeg: niet ondersteund)

Etiketten

Om beschadigingen aan het apparaat te voorkomen, gebruikt u uitsluitend etiketten die speciaal zijn ontworpen voor laserprinters.

  • Bij de keuze van etiketten dient u rekening te houden met de volgende factoren:

    • Kleefstoffen: Bestand tegen de fixeertemperatuur van het apparaat (circa 170°C).

    • Schikking: gebruik uitsluitend etiketvellen waarvan het rugvel tussen de etiketten niet blootligt. Bij etiketvellen met ruimte tussen de etiketten kunnen de etiketten loskomen van het rugvel. Dit kan ernstige papierstoringen tot gevolg hebben.

    • Krullen: Moet plat liggen en in geen enkele richting meer dan 13 mm omkrullen.

    • Toestand: gebruik geen etiketten die gekreukt zijn, blaasjes vertonen of loskomen van het rugvel.

  • Let op dat er tussen de etiketten geen zelfklevend materiaal blootligt. Blootliggende delen kunnen ervoor zorgen dat etiketten tijdens het afdrukken loskomen, waardoor het papier kan vastlopen. Ook kunnen hierdoor onderdelen van het apparaat beschadigd raken.

  • Plaats geen gebruikte etiketvellen in het apparaat. De klevende achterzijde mag slechts een keer door het apparaat worden gevoerd.

  • Gebruik geen etiketten die loskomen van het rugvel, blaasjes vertonen, gekreukt of anderszins beschadigd zijn.

Kartonpapier/papier van een aangepast formaat

  • Stel de marges in de softwaretoepassing in op ten minste 6,4 mm van de zijkanten van de afdrukmedia.

Voorbedrukt papier

Bij het plaatsen van voorbedrukt papier moet de bedrukte zijde bovenaan liggen en mag de voorzijde niet gekruld zijn. Bij invoerproblemen draait u het papier om. Er zijn geen garanties wat de afdrukkwaliteit betreft.

  • Briefhoofden moeten afgedrukt worden met hittebestendige inkt die niet smelt, verdampt of schadelijke gassen uitstoot als ze gedurende 0,1 seconde worden blootgesteld aan de fixeertemperatuur (ongeveer 170 °C) van het apparaat.

  • De inkt op het voorbedrukt papier mag niet ontvlambaar zijn en mag de printerrollen niet beschadigen.

  • Voor u voorbedrukt papier in de lade plaatst, controleert u of de inkt op het papier droog is. Natte inkt kan tijdens het fixeerproces loskomen van het voorbedrukt papier, waardoor de afdrukkwaliteit afneemt.

Papierformaat en -type instellen

Nadat u het papier in de lade hebt geplaatst moet u het papierformaat en -type instellen met behulp van de knoppen op het bedieningspaneel.

[Note]
  • U kunt de instellingen van het apparaat wijzigen via Apparaatinstellingen in het programma Samsung Easy Printer Manager.

    • Als u Windows of Mac gebruikt, kunt u uw instellingen wijzigen via Samsung Easy Printer Manager > (Geavanceerde modus activeren) > Apparaatinstellingen (zie Apparaatinstellingen).

  • Voor bepaalde modellen moet u mogelijk op OK drukken om naar menu's op lagere niveaus te gaan.

[Note]

Voor bepaalde modellen moet u mogelijk op OK drukken om naar menu's op lagere niveaus te gaan.

  1. Druk op de knop (Menu) op het bedieningspaneel.

  2. Druk op Systeeminst. > Papierinstel. > Papierformaat of Type papier.

  3. Selecteer de gewenste lade en de gewenste optie.

  4. Druk op OK om de selectie op te slaan.

  5. Druk op (Stop/Clear) om terug te keren naar de gereedmodus.

[Note]
  • De instellingen die via het apparaatstuurprogramma zijn opgegeven krijgen voorrang op de instellingen die via het bedieningspaneel werden opgegeven.

    1. Als u afdrukt vanuit een toepassing, opent u de toepassing en het afdrukmenu.

    2. Open Voorkeursinstellingen (zie Voorkeursinstellingen openen).

    3. Klik op het tabblad Papier en selecteer het juiste papiertype.

  • Als u papier met speciale afmetingen wilt gebruiken, zoals factuurpapier, selecteert u het tabblad Papier > Formaat > Bewerken... en stelt u Instellingen aangepast papierformaat in Voorkeursinstellingen in (zie Voorkeursinstellingen openen).

De uitvoersteun gebruiken

[Note]

Het oppervlak van de uitvoerlade kan warm worden wanneer u veel pagina's tegelijk afdrukt. Let erop dat u het oppervlak niet aanraakt en houd kinderen uit de buurt.

De afgedrukte pagina's worden op de uitvoersteun gestapeld en de uitvoersteun helpt bij het rechtleggen van de afgedrukte pagina's. De uitvoer wordt standaard naar de uitvoerlade gestuurd.

[Note]

De afbeeldingen in deze gebruikershandleiding zijn afhankelijk van de opties en het model, en komen mogelijk niet helemaal overeen met uw apparaat. Controleer het type apparaat (zie Voorkant).

Originelen voorbereiden

  • Plaats geen papier dat kleiner is dan 142 × 148 mm of groter dan 216 × 356 mm.

  • Vermijd het gebruik van de volgende papiertypes om papierstoringen, een slechte afdrukkwaliteit en schade aan het apparaat te voorkomen.

    • Carbonpapier of papier met carbonrug

    • Gecoat papier

    • Licht doorschijnend of dun papier

    • Gekreukt of gevouwen papier

    • Gekruld of opgerold papier

    • Papier met scheuren

  • Verwijder alle nietjes en paperclips voor u het papier plaatst.

  • Controleer of eventuele lijm, inkt of correctievloeistof op het papier volledig droog is voor u het plaatst.

  • Plaats geen originelen van verschillend formaat of gewicht.

  • Plaats geen boekjes, foldertjes, transparanten of documenten met andere afwijkende eigenschappen.

Originelen plaatsen

U kunt de glasplaat van de scanner gebruiken om een document te kopiëren, te scannen of als fax verzenden.

[Note]

De afbeeldingen in deze gebruikershandleiding zijn afhankelijk van de opties en het model, en komen mogelijk niet helemaal overeen met uw apparaat. Controleer het type apparaat (zie Voorkant).

Op de glasplaat van de scanner

Vanaf de glasplaat van de scanner kunt u originele kopiëren of scannen. Voor de beste scankwaliteit, met name bij afbeeldingen in kleur of grijstinten, doet u er goed aan de glasplaat te gebruiken. Zorg dat er zich geen originelen in de documentinvoer bevinden. Wanneer een origineel wordt gedetecteerd in de documentinvoer, krijgt deze voorrang op het origineel op de glasplaat van de scanner.

  1. Til het deksel van de scanner op.

  2. Plaats de originelen met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat van de scanner. Plaats het document zorgvuldig in het verlengde van de markering linksboven op de glasplaat.

  3. Sluit het deksel van de scanner.

[Note]
  • Als u het deksel van de scanner tijdens het kopiëren niet sluit, kan dat een nadelig effect hebben op de kopieerkwaliteit en het tonerverbruik.

  • Stof op de glasplaat kan leiden tot zwarte vlekken op de afdruk. Houd de glasplaat schoon (zie Het apparaat reinigen).

  • Als u een pagina uit een boek of tijdschrift wilt kopiëren, opent u het deksel van de scanner tot tegen de aanslag en sluit u het daarna weer. Als het boek of tijdschrift dikker is dan 30 mm, laat u het deksel van de scanner openstaan tijdens het kopiëren.

[Caution]
  • Doe dit voorzichtig om te voorkomen dat het scannerglas breekt en u zich kwetst.

  • Plaats uw hand niet onder het scannerdeksel terwijl u het sluit. Het scannerdeksel kan op uw handen vallen en letsel veroorzaken.

  • Kijk tijdens het kopiëren of scannen niet in het licht van de scanner. Dit is schadelijk voor de ogen.

In de automatische documentinvoer

  1. Buig de papierstapel of waaier het papier uit om de pagina’s van elkaar te scheiden voor u de originelen plaatst.

  2. Plaats de originelen in de documentinvoerlade met de bedrukte zijde naar boven. Zorg ervoor dat de onderkant van de stapel originelen samenvalt met de markering voor het papierformaat op de invoerlade.

  3. Stel de ADI in overeenkomstig het papierformaat.

[Note]

Stof op de glasplaat van de ADI kan zwarte strepen op de afdruk veroorzaken. Houd de glasplaat schoon (zie Het apparaat reinigen).